Engels

De taalgebruiker kan in het Engels communiceren in eenvoudige routinetaken over vertrouwde onderwerpen die van persoonlijk belang zijn of betrekking hebben op zijn directe omgeving. Hij kan zinnen en courante uitdrukkingen met betrekking tot onmiddellijk relevante domeinen (o.m. persoonlijke en familiale gegevens, winkelen, onmiddellijke omgeving en tewerkstelling) begrijpen. Hij kan communiceren in eenvoudige routinetaken die gericht zijn op een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde en dagelijkse onderwerpen. Hij kan in eenvoudige bewoordingen informatie geven over zijn achtergrond, zijn directe omgeving en onderwerpen die van direct persoonlijk belang zijn.

 Module 1
  • Zich voorstellen en een andere persoon voorstellen
  • Persoonlijke gegevens in een formulier invullen
  • Familierelaties
  • Hoofdtelwoorden
  • Landen en nationaliteiten
  • Dagelijkse bezigheden uitleggen
  • Beroepen
  • Kleuren
  • De dagen van de week
  • Vrijetijdsbestedingen en vakantie
  • Voorstellen doen en vragen stellen
  • Present Simple(onvoltooid tegenwoordige tijd)
  • Bezittelijke voornaamwoorden
  • CAN/CAN’T
 Module 2
  • Eten en drinken
  • Een bestelling maken in een restaurant, snackbar, …
  • Hoeveelheden en maten
  • Verpakkingen
  • Bijvoeglijke naamwoorden i.v.m. eten en drinken
  • Het huis en soorten woningen beschrijven
  • Telbare en ontelbare woorden
  • Gebruik van There is/are – Have got – Modifiers(quite, really, very, not very)
 Module 3
  • Gebouwen en plaatsen
  • De weg vragen en uitleggen (op straat en in een gebouw)
  • Voorzetsels van plaats
  • Vervoermiddelen
  • Beschrijvingen van personen
  • Rangtelwoorden
  • Kleding
  • Het weer en klimaat
  • Bezittelijke voornaamwoorden
  • Simple Past(voltooid verleden tijd)
  • Present Continuous
  • Adverbs of frequency and manner
 Module 4
  • Nieuws en media
  • Kunst
  • Voorkeuren aangeven
  • Een samenvatting schrijven
  • En e-mail, brief, postkaart schrijven
  • Een vakantie boeken
  • Vergrotende en overtreffende trap
  • Gebruik van ‘WILL’
  • Present Perfect(voltooid tegenwoordige tijd)