Frans

De taalgebruiker kan in het Frans communiceren in eenvoudige routinetaken over vertrouwde onderwerpen die van persoonlijk belang zijn of betrekking hebben op zijn directe omgeving. Hij kan zinnen en courante uitdrukkingen met betrekking tot onmiddellijk relevante domeinen (o.m. persoonlijke en familiale gegevens, winkelen, onmiddellijke omgeving en tewerkstelling) begrijpen. Hij kan communiceren in eenvoudige routinetaken die gericht zijn op een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde en dagelijkse onderwerpen. Hij kan in eenvoudige bewoordingen informatie geven over zijn achtergrond, zijn directe omgeving en onderwerpen die van direct persoonlijk belang zijn.

 Module 1
  • Zich voorstellen en een andere persoon voorstellen
  • Persoonlijke gegevens in een formulier invullen
  • Familierelaties
  • Hoofdtelwoorden
  • Landen en nationaliteiten
  • Dagelijkse bezigheden uitleggen
  • Beroepen
  • Kleuren
  • L’Indicatif Présent(onvoltooid tegenwoordige tijd)
  • De werkwoorden ÊTRE – AVOIR – ALLER – DEVOIR
  • Regelmatige werkwoorden groep –ER
  • De werkwoorden groep -YER
  • Het onbepaald en bepaald lidwoord
  • De bezittelijke voornaamwoorden
  • Voorzetsels van landen en steden
  • De modale werkwoorden
  • De ontkenning
  • Het vragend voornaamwoord
  • Het samengetrokken lidwoord
 Module 2
  • De dagen en maanden
  • Eten en drinken
  • Een uitnodiging voor een feest schrijven
  • Een uitnodiging beantwoorden
  • Voorkeuren aangeven en een mening vormen
  • De persoonlijke agenda bespreken
  • Vrijetijdsbestedingen
  • Een persoon beschrijven
  • De weg vragen en tonen(op straat en in een gebouw)
  • De kloklezen
  • De plaats van het bijvoeglijk naamwoord
  • Werkwoorden groep –IR en –ER
  • De werkwoorden FAIRE+BOIRE+SORTIR
  • Het delend lidwoord
  • De vergrotende en overtreffende trap
  • Het aanwijzend voornaamwoord
  • Le conditionnel de politesse
  • Le passé récent
 Module 3
  • Telefoneren
  • Raad en een opdracht geven
  • Vertellen waar het pijn doet
  • Zich verontschuldigen
  • Naar de dokter en apotheek gaan
  • De delen van het lichaam
  • De medicijnen
  • Vrijetijdsbestedingen en vakantie
  • Vragen stellen
  • Het wederkerend werkwoord
  • De gebiedende wijs
  • De werkwoorden DIRE en CONNAÎTRE
  • De werkwoorden S’OCCUPER DE en CHOISIR
  • De toekomende tijd(Futur proche)
  • Il y a / C’est / Il fait
 Module 4
  • Nieuws en media
  • Kunst
  • Telefoneren
  • Een samenvatting schrijven
  • Een e-mail, brief, postkaart schrijven
  • Een vakantie boeken
  • Een reis beschrijven
  • Voor- en nadelen aangeven
  • Positief en negatief reageren
  • Onregelmatige werkwoorden
  • Le pronom tonique
  • Le passé composé